Jenin, april 2002 (Bruno Stevens; foto geknipt uit de krant van 10 juni 2011)
Bij een eerste, vluchtige blik dacht ik: een foto genomen vanuit een ruïne die langs alle kanten omringd is door puin. Stukken van een betonnen plafond hangen gevaarlijk naar beneden; de ijzeren wapening heeft het gebouw niet bijeen kunnen houden. Een huis dat het niet meer kon aanzien, is in elkaar gestuikt. Brokstukken van muren en plafonds, een krater daar middenin, misschien van een bom. Alles kaputt. Verwoeste stad. En daar tussenin een paar vrouwenfiguren op wandel. Waarom wandelen die vrouwen daar in dat puin?
Bij nader inzien is het gespiegelde chaos. De fotograaf heeft op de foto een stuk spiegel meegenomen, die de werkelijkheid van de rechterkant weerkaatst. Het effect doet me even denken aan hoe mijn kinderen vroeger een vlinder schilderden. Ze hadden aan één helft genoeg: een vleugel, een half lijfje, een voelspriet. Ze vouwden het papier dicht, drukten het aan, en de verf verdeelde zich om zo een hele vlinder te worden.
Ook hier heb je aan de ene helft genoeg. Te veel zelfs, te veel verschrikking om onverschillig naar te kijken. En de fotograaf heeft de ene helft die hij zag dan nog eens verdubbeld, alsof hij wou roepen: kijk eens naar het land, vernieling die vernieling oproept.
Maar anders dan bij die vlinder is hier de ene helft de andere niet. Door de hoek die de fotograaf heeft gekozen komt links een kind aanlopen dat rechts niet zichtbaar is. Dat kind, een meisje vermoed ik, met een zwarte vlecht op haar rug, doet me anders naar de foto kijken. Nauwkeuriger. Want ik zie nóg een kind, dat naast de vrouw met de lichte hoofddoek loopt, en, ook al is het niet zichtbaar, ik kan me inbeelden dat het kind aan de hand loopt van die vrouw. Het tafereel krijgt daardoor bijna iets alledaags. Hier is gisteren, vandaag, een bom gevallen. So what? Dat houdt ons niet tegen om door de verwoeste stad te lopen.
Als om te zeggen: ons hebben ze niet kapot gekregen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten