vrijdag 20 januari 2012

Meudon, Parijs (1)

Van Meudon bij Parijs had ik nog nooit gehoord. De Autoroute du Soleil komt er niet voorbij. De streek is niet gekend om zijn champagne of zijn cognac. En voor zover ik weet, zijn er recent geen rellen uitgebroken. Is er kaas van Meudon?

En dan zag ik een paar maanden geleden deze foto, van André Kertész (geboren in 1894 als Kertész Andor; in Hongarije zetten ze als enige Europese land de voornaam achteraan).


Meudon, Parijs, 1928


Vermoedelijk had ik die foto al wel eerder gezien, bladerend in fotoboeken. Ik ben het gaan opzoeken. Ze komt voor in het boek ‘Bystander : a history of street photography’, ze siert er zelfs de omslag van. Ik vond ze ook in het boek ‘De kunst van het kijken : het verhaal van de fotografie’. Ze komt niet voor in ‘1000 photo icons' noch in ‘Fotografie van de 20ste eeuw’, maar daar staan dan weer andere prachtige foto’s in van Kertész. En het boek ‘Photo icons : the story behind the pictures, 1928-1991’ bevat een artikel van 8 bladzijden helemaal gewijd aan de foto en zijn fotograaf.

Om maar te zeggen: dit is niet zomaar een foto.

Ik was er weg van. Letterlijk bijna, de trein op naar Meudon. Als ik avontuurlijker was geweest. Mijn voorzichtige zelf is op een kaart gaan zoeken waar precies Kertész gestaan had in de stad, waar hij zijn fototoestel, een Leica schijnt het, in de aanslag had gehouden om precies dat moment te grijpen waarop alles samen kwam. Want het is bijna om naar adem te happen, zoveel gebeurt er tegelijkertijd op die plaats. De man die komt aangewandeld met het pak in krantenpapier, het zou een schilderij kunnen zijn. Misschien kijkt de man naar de fotograaf. De trein daarboven die voorbijrijdt, die aan de andere kant zal wegrijden uit het beeld. De stoom die hij achter zich laat. De stellingen rond de pijlers van het viaduct. De mensen in de achtergrond, de vrouw met het kind,... Ik zou me oeverloos kunnen verliezen in de details op de foto, alsof ik met mijn eigen ogen wilde gezien hebben wat daar gebeurde, wat Kertész daar vast hield. Alsof ik daarmee de dramatiek zelf van het moment had kunnen herscheppen.

Dramatiek heeft die foto te over: in de combinatie van beweging en stilstand, het contrast tussen de donkere en de lichte vlekken, tussen de details op de voorgrond en de quasi lege lucht in de achtergrond; de dramatiek van de diepte waar je wordt ingezogen, al kijkend in die smalle, grauwe steeg die uitmondt op de open arcades van het viaduct.

Het is zo goed als zeker dat Kertész daar meer dan één keer heeft gestaan. Daar zijn bewijzen van, zo lees ik in een artikel van Hans-Michael Koetzle in het boek 'Photo icons'. Drie verschillende negatieven bestaan er, op twee verschillende films. Een foto zonder trein en zonder mensen op de ene film. Op de andere film: een foto met trein, maar zonder mensen. En de foto die het meest bekend werd en uiteindelijk werd opgenomen in het in 1945 uitgegeven boek ‘Day of Paris’.



Als je de 3 foto’s vergelijkt, zie je nogal wat verschillen. In de positie van de fotograaf. In de hoogte van de houtstapel in de achtergrond. De staketsels bij de arcades hebben niet dezelfde vorm. Op de werfweg staat al of niet een ton of een werkblok. Het is niet dezelfde trein die over het viaduct rijdt; aan de rook te zien lijkt hij op de ene foto misschien wel achteruit te rijden.

De foto’s met trein werden vlak na elkaar genomen.

Uit de analyse van de negatieven besluit Koetzle dat Kertész na een eerste bezoek aan Meudon is teruggekeerd. Hij waagt zich zelfs aan de veronderstelling dat de man in de voorgrond met het pak onder de arm een bekende is van Kertész, de Duitse kunstenaar Willi Baumeister, en die zou het hele tafereel geënsceneerd kunnen hebben.

Opnieuw naar adem happen. Is die foto opgezet spel? In scène gezet door Kertész of zijn vriend of samen?
Ik geef toe dat een lichte ergernis mij overviel toen ik het las. Omdat de gedachte door mijn hoofd ging dat Kertész bedrog had gepleegd met zijn foto. En dat, door dat ‘bedrog’, het minder waar werd wat ik op de foto zag.
Ik geef toe dat ik onbewust bij een foto nog al eens veronderstel dat wat ik zie, de werkelijkheid is. "Een foto is een feit; een foto is echt."

Maar een foto is natuurlijk nooit de werkelijkheid. Of misschien wel, maar dan gezien door de fotograaf. Of: de werkelijkheid van de fotograaf, zoals hij die aan ons wil laten zien. En daarbij kan hij evengoed gebruik maken van instrumenten als techniek en compositie en deformatie – zoals elke andere kunstenaar dat doet. Hij kan spelen met het licht en het diafragma. Hij kan de kadrering van zijn onderwerp bepalen, hij kan wisselen van perspectief. De trein kan hij niet laten vertrekken, maar hij kan wel achterhalen op welk uur precies op die plaats een trein voorbijrijdt. En hij kan aan mensen vragen om met een ingepakt schilderij als toevallig voorbij te lopen.
Hoever Kertész gegaan is, doet er niet toe. Als het beeld maar klopt. En dat doet het.

In 1991 vond in Amsterdam een tentoonstelling plaats in de Oude Kerk, met als thema: ‘De vierde wand: de foto als theater'. In de inleiding van het boek bij de tentoonstelling lees ik: "In essentie is elke foto geënsceneerd, documentair of niet. Elke fotograaf is regisseur, elke sterke foto is theatraal."

dinsdag 3 januari 2012

Kijken en nog eens kijken


Jenin, april 2002 (Bruno Stevens; foto geknipt uit de krant van 10 juni 2011)


Bij een eerste, vluchtige blik dacht ik: een foto genomen vanuit een ruïne die langs alle kanten omringd is door puin. Stukken van een betonnen plafond hangen gevaarlijk naar beneden; de ijzeren wapening heeft het gebouw niet bijeen kunnen houden. Een huis dat het niet meer kon aanzien, is in elkaar gestuikt. Brokstukken van muren en plafonds, een krater daar middenin, misschien van een bom. Alles kaputt. Verwoeste stad. En daar tussenin een paar vrouwenfiguren op wandel. Waarom wandelen die vrouwen daar in dat puin?

Bij nader inzien is het gespiegelde chaos. De fotograaf heeft op de foto een stuk spiegel meegenomen, die de werkelijkheid van de rechterkant weerkaatst. Het effect doet me even denken aan hoe mijn kinderen vroeger een vlinder schilderden. Ze hadden aan één helft genoeg: een vleugel, een half lijfje, een voelspriet. Ze vouwden het papier dicht, drukten het aan, en de verf verdeelde zich om zo een hele vlinder te worden.

Ook hier heb je aan de ene helft genoeg. Te veel zelfs, te veel verschrikking om onverschillig naar te kijken. En de fotograaf heeft de ene helft die hij zag dan nog eens verdubbeld, alsof hij wou roepen: kijk eens naar het land, vernieling die vernieling oproept.

Maar anders dan bij die vlinder is hier de ene helft de andere niet. Door de hoek die de fotograaf heeft gekozen komt links een kind aanlopen dat rechts niet zichtbaar is. Dat kind, een meisje vermoed ik, met een zwarte vlecht op haar rug, doet me anders naar de foto kijken. Nauwkeuriger. Want ik zie nóg een kind, dat naast de vrouw met de lichte hoofddoek loopt, en, ook al is het niet zichtbaar, ik kan me inbeelden dat het kind aan de hand loopt van die vrouw. Het tafereel krijgt daardoor bijna iets alledaags. Hier is gisteren, vandaag, een bom gevallen. So what? Dat houdt ons niet tegen om door de verwoeste stad te lopen.
Als om te zeggen: ons hebben ze niet kapot gekregen.