dinsdag 3 februari 2009

Amor mundi


De man kijkt weg. Vreemd. Wat vraagt zijn aandacht buiten de foto, zodat hij de fotograaf negeert? Alsof hij met zijn blik, met zijn gedachten elders is. Een moeilijke klus morgen, op kantoor? Of de huiselijke zorgen van het bestaan met haar, met welk geld moet de huur worden betaald? In elk geval is hij vergeten dat hij daar staat. Dat hij te kijk staat voor de pronkkast van zijn huis. Hij hoort er niet echt bij.
En toch is er de hand, verstolen bijna op de schouder van de vrouw, in een vreemd spel van afstand en nabijheid dat schoorvoetend wordt prijsgegeven aan het fotopapier. Hij heeft iets met haar, en de vrouw laat het allemaal gebeuren in de kromming van zijn arm.
Zij staat centraal op de foto. Zoals zij daar zit, zelfbewust, met een zweem van een glimlach om haar mond en de nonchalance van haar arm op de leuning van de stoel, brengt zij het wankele portret terug in balans. In haar blik kom je tot rust.
De foto werd genomen in 1929. De fotograaf is onbekend. Het is geen kiekje uit de losse pols geschoten in een gestolen moment, zoals dat nu zou gebeuren met een GSM of zelfs een polshorloge. Toen kon dat natuurlijk niet. Fototoestellen waren indrukwekkende apparaten waar niet naast te kijken viel. Een fotograaf was daarom in foto’s altijd afwezig aanwezig – ook hier. Zijn aanwezigheid spreekt uit het geconstrueerde lijnenspel, hij is de arrangeur van horizontalen, verticalen en diagonalen. Wat wou hij duidelijk maken, vraag ik me af. Ging het ‘m om de esthetiek van de lijn? Moest de man daarom zo gekunsteld voorover buigen, om zijn gezicht in één diagonaal te brengen met dat van haar en met haar arm? Of wou hij iets vastleggen van wat hij al gezien had in hen? In hun blikken die elk een andere kant opkijken. Fixeerde hij de tijdelijkheid van het verwijlen bij elkaar, nu, in deze kamer, in dit licht?
Ze zijn niet bij elkaar gebleven, de man en de vrouw. Maar zij is wel altijd rechttoe rechtaan blijven kijken, met die zweem van een glimlach, met de amor mundi. Maar zonder compromissen. De filosofe Hannah Arendt.

maandag 5 januari 2009

Vrienden

Ken jij die man, papa, vraagt mijn jongste dochter terwijl ze een foto van het trottoir opraapt.

Het is een kleine foto, zoals je gebruikt voor een identiteitskaart of een paspoort, en op de foto staat een man met oosterse trekken. Hij glimlacht flauw, onder een snorretje dat zo fijn is als een wollen draad, en opgekruld aan de randen. Zó weggelopen uit een stripverhaal of uit een film.

Nee, ik ken hem niet, hij zit niet in mijn netwerk, zeg ik met een knipoog tegen mijn tienjarige dochter, die, sinds ze op Netlog zit, alles weet over sociale netwerken. Ondertussen zie ik in de aanhangwagen die voor onze deur geparkeerd staat opnieuw de roze doorschijnende map liggen. Die ligt daar al meer dan een week, met papieren allerhande, en ik heb ze al eens in de hand gehad en weer weggegooid omdat ze droop van het regenwater. Met twee vingers vis ik nu die map uit de aanhangwagen. De bladen plakken aan elkaar, maar zijn wel leesbaar. Aanvraag voor een Schengen visum, uitnodiging voor een congres in Brussel, reisverzekering, vliegtuigticket. Alles op naam van een, op het eerste gezicht, niet onbelangrijke professor uit een Zuidoost-Aziatisch land. Zou het kunnen dat die foto en die papieren iets met elkaar te maken hebben?

Op zo'n momenten is er iets in mij dat niet kan weerstaan aan de innerlijke drang om alles eens haarfijn uit te zoeken, om het uit te spitten, de onderste steen boven te halen. Het is telkens sterker dan mezelf. Het is geen nieuwsgierigheid, nee, verre van. Het is veel erger.

Die twee jongens aan de Stanford University moeten zich in 1998 al bewust zijn geweest van mijn bloedhondallures, en hebben toen maar Google uitgevonden. In 0,24 seconden krijg ik een lijst geserveerd van zo'n slordige 260.000 documenten die van dichtbij of van ver verband houden met mijn professor, met bovenaan, als op een presenteerblaadje, de Facebook pagina van de man, en verderop de links naar zijn Twitter pagina en zijn Plurk pagina, waarop zijn hele leven van uur tot uur te volgen is.

Blijkt dat die man begin oktober op doorreis is geweest in Antwerpen. Dat hij toen geen tijd had om de stad te bezichtigen, maar dat hij er wel mooie herinneringen aan had, van vroegere bezoeken. Dat hij in de trein tussen Gent en Antwerpen bestolen werd, toen hij even niet naar zijn tas keek. Laptop kwijt, papieren kwijt, en een week later is hij nog steeds bezig om zijn leven terug op de rails te krijgen na dit ontzaglijke verlies. Ik krijg medelijden met de man, en besluit hem via Facebook een berichtje te sturen.

Wekenlang open ik zeven keer per dag mijn mailprogramma, maar het antwoord van mijn verre vriend blijft uit. Tot in de eerste week van januari, als het langverhoopte berichtenkopje in mijn mailbox verschijnt: Je hebt een bericht van ... op Facebook.... Ik lees dat hij inderdaad bestolen was op de trein, en hij geeft toe dat "I did not pay attention to my laptop on the train believing that Belgium is a safe place.It was my mistake". Hij raakte niet enkel zijn laptop kwijt, maar ook zijn I-Pod, zijn bank- en kredietkaarten en zijn vliegtuigticket. Niettemin, hij had toch een leuke tijd bij zijn Belgische en Duitse vrienden, en mijn mail bevestigde hem in "my belief that Belgians are very hospitable and friendly people".

Ik ben niet echt iemand die al dat soort leuke, maar vluchtige contacten onmiddellijk opsla in mijn adresboek; mijn vriendengroep in Facebook oogt dan ook erg mager. Mijn Zuidoost-Aziatische professor heb ik geen vriendenverzoek gestuurd. Maar toch. Ik kan het sindsdien niet laten om (alleen af en toe!) op Plurk en Twitter zijn lotgevallen te volgen. Zo weet ik dat hij - een geluk bij een ongeluk - nu eindelijk een Mac kon kopen ter vervanging van zijn laptop. Dat hij een oude Fiat gekocht heeft. Dat hij op reis was in Singapore, en een biertje dronk in Bangkok.

Ik denk er over om hem een berichtje sturen. Dat hij maar voorzichtig is.
Of is dat er over?