vrijdag 16 december 2011

Ze zijn zo licht, meneer


(foto: Vasily Fedosenko/reuters; 9/11/2010)

Met één hand kan je die dichtgetapete blauwe zakken van man tot man gooien, in een ritmisch spel: Vang, en hop, en nog een.
Toch kijken die mannen doodernstig. Na 250 keer gooien en vangen en het telkens aanlijnen van de kisten zal de pret er wel af zijn. En ze weten natuurlijk wat er in die zakken zit: de stoffelijke resten van 923 Duitse soldaten die gestorven zijn in de Tweede Wereldoorlog en die nu, in dit ritmisch ritueel, naar hun laatste rustplaats toezweven. Ze worden herbegraven op een Duits oorlogskerkhof in Shchatkovo, niet ver van de Wit-Russische hoofdstad Minsk.
Wat heeft me toen, op 10 november 2010, die foto doen uitknippen? Het zweven, denk ik, dat de fotograaf gevangen heeft en dat mijn blik gevangen houdt. In de beslotenheid van deze foto stel ik me de vraag: waar komen die zakken vandaan? Waarom verzetten die mannen geen pas om die zakken aan elkaar door te geven? Hebben die twee Wit-Russische arbeiders al die kisten geplaatst? En zullen zij ze ook dichtmaken? En gaat dan de bulldozer er over? Wat zeggen die mannen als hun vrouw ’s avonds vraagt wat ze die dag hebben uitgevoerd? Ik heb bedacht dat die Wit-Russische arbeiders misschien een statement wilden voor de fotograaf die rond de kuil sluipt: kijk eens wat we met de stoffelijke resten van Duitse soldaten doen, ze zijn dood maar we laten ze opnieuw in de lucht vliegen. We kisten ze, en dan: zand erover. Ik kreeg er zelfs medelijden mee: eerst in de pan gehakt, en dan wordt er gesold met hun stoffelijke resten. In de grond gestopt en er weer uitgehaald, ingesnoerd in blauwe zakken.
Het is een foto die ongemakkelijk maakt. Waarom heeft de fotograaf deze foto geschoten? Waarom heeft de krant deze foto geplaatst? Wat laat die foto niet zien?
Zo ongemakkelijk horen foto’s te zijn. Zodat je er opnieuw naar kijkt.

Geen opmerkingen: